NOTULEN VAN DE GEMEENTERAAD

 

VERGADERING VAN 26 september 2019

 

Aanwezig:

Jordi Boulet, voorzitter

Werner Raskin, burgemeester

Bert Vertessen, Yves Croux, Johan Schoefs, Linda Verjans, schepenen

Alfons Capiot, Serge Voncken, Michel Vanroy, Carine Moors, Wim Hellinx, Wendy Bollen, Rudi Coenegrachts, Christiaan Hex, Mieke Claesen, Heidi Berx, Liesbeth Werelds, Marc Bamps, Stanny Crommen, Eddy Vandecaetsbeek, raadsleden

Geert Rouffa, algemeen directeur

 

Verontschuldigd:

 

Jasper Goffin, raadslid

 

Overzicht punten

 

In openbare vergadering

 

01

Financiën (gemeente) - Kerkfabrieken: budgetwijzigingen in 2019 - Aktename

 

De gemeenteraad,

 

Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, en latere wijzigingen;

 

Gelet op het Decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en de werking van de erkende erediensten, inzonderheid de artikelen 41, 42, 43 en 44;

 

Overwegende dat met betrekking tot Kerkfabriek Maria Middelares een budgetwijziging voor het boekjaar 2019 (samen met het advies van het erkend representatief orgaan) werd binnengebracht door het centraal kerkbestuur op 23 augustus 2019;

 

Overwegende dat deze budgetwijziging geen invloed heeft op de gemeentelijke exploitatietoelage en de gemeentelijke investeringstoelage;

 

Overwegende dat met betrekking tot kerkfabriek Sint-Domitianus een budgetwijziging voor het boekjaar 2019 (samen met het advies van het erkend representatief orgaan) werd binnengebracht door het centraal kerkbestuur op 23 augustus 2019;

 

Overwegende dat deze budgetwijziging geen invloed heeft op de gemeentelijke exploitatietoelage en de gemeentelijke investeringstoelage;

 

Overwegende dat met betrekking tot kerkfabriek Sint-Lambertus een budgetwijziging voor het boekjaar 2019 (samen met het advies van het erkend representatief orgaan) werd binnengebracht door het centraal kerkbestuur op 23 augustus 2019;

 

Overwegende dat deze budgetwijziging geen invloed heeft op de gemeentelijke exploitatietoelage en de gemeentelijke investeringstoelage;

 

Besluit,

 

Art. 1 - Akte te nemen van de budgetwijziging 2019 d.d. 05/03/2019 van Kerkfabriek Maria Middelares Hoeselt.

 

Art. 2 - Akte te nemen van de budgetwijziging 2019 d.d. 04/06/2019 van Kerkfabriek Sint-Domitianus Hoeselt.

 

Art. 3 - Akte te nemen van de budgetwijziging 2019 d.d. 24/06/2019 van Kerkfabriek Sint-Lambertus Hoeselt.

 

Art. 4 - Van dit besluit wordt melding gemaakt bij de toezichthoudende overheid overeenkomstig artikel 330 van het Decreet Lokaal Bestuur. Het besluit wordt overeenkomstig de artikelen 286 (besluit) en 287 van het Decreet Lokaal Bestuur afgekondigd en bekendgemaakt.

 

Art. 5 - Afschriften van deze beslissing zullen worden overgemaakt aan het centraal kerkbestuur, de kerkfabrieken in kwestie, het erkend representatief orgaan en aan de financieel directeur.

Overzicht punten

 

In openbare vergadering

 

02

Financiën (gemeente) - Kerkfabrieken: meerjarenplannen 2020-2025 - Goedkeuring

 

De gemeenteraad,

 

Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, en latere wijzigingen;

 

Gelet op het Decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en de werking van de erkende erediensten, inzonderheid de artikelen 41, 42, 43 en 44;

 

Overwegende dat binnen de zes maanden na de installatie van de gemeenteraad na de gehele vernieuwing van deze raad, alle kerkraden een meerjarenplan moeten vaststellen dat de financiële afspraken bevat tussen de kerkfabriek en de gemeente, voor een periode van zes jaar, die ingaat op 1 januari van het tweede jaar dat volgt op de algehele vernieuwing van de gemeenteraad;

 

Overwegende dat de meerjarenplannen 2020-2025 van alle kerkraden gecoördineerd werden binnen gebracht op 23 augustus 2019 door het centraal kerkbestuur waaronder de kerkfabrieken ressorteren;

 

Overwegende dat de gunstige adviezen (al dan niet met opmerkingen) van het erkend representatief orgaan (Bisdom Hasselt) eveneens bij het gemeentebestuur zijn binnengekomen op 23 augustus 2019;

 

Overwegende dat de gemeenteraad zich moet uitspreken over de goedkeuring van de meerjarenplannen binnen een termijn van honderd (100) dagen die ingaat op de dag na het inkomen van het advies van het erkend representatief orgaan;

 

Gelet op het bijgevoegd gecoördineerd overzicht van de gemeentelijke exploitatietoelagen en de gemeentelijke investeringstoelagen aan de verschillende Kerkfabrieken van de gemeente Hoeselt voor de periode 2020-2025;

 

Besluit,

 

Na beraadslaging en met unanimiteit;
 

Art. 1 - De meerjarenplannen van de Kerkfabrieken Sint-Stefanus (centrum), Sint-Brixius (Schalkhoven), Sint-Hubertus (Sint-Huibrechts-Hern), Maria Middelares (Neder), Sint-Jan-Baptist (Romershoven), Sint-Domitianus (Werm) en Sint-Lambertus (Alt-Hoeselt) goed te keuren op basis van het bijgevoegd gecoördineerd overzicht met de geraamde gemeentelijke exploitatietoelagen en de geraamde gemeentelijke investeringstoelagen.

 

Art. 2 - Van dit besluit wordt melding gemaakt bij de toezichthoudende overheid overeenkomstig artikel 330 van het Decreet Lokaal Bestuur. Het besluit wordt overeenkomstig de artikelen 286 (besluit) en 287 van het Decreet Lokaal Bestuur afgekondigd en bekendgemaakt.

 

Art. 3 - Afschriften van deze beslissing zullen worden overgemaakt aan het centraal kerkbestuur, de kerkfabrieken in kwestie, het erkend representatief orgaan en aan de financieel directeur.

Overzicht punten

 

In openbare vergadering

 

03

Financiën (gemeente) - Kerkfabrieken: budgetten 2020 - Aktename

 

De gemeenteraad,

 

Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, en latere wijzigingen;

 

Gelet op het Decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en de werking van de erkende erediensten, inzonderheid de artikelen 41, 42, 43 en 44;

 

Gelet op het gemeenteraadsbesluit van 26 september 2019 houdende de goedkeuring van de initiële meerjarenplannen 2020-2025 van de Kerkfabrieken van de gemeente Hoeselt;

 

Overwegende dat de budgetten 2020 van de Kerkfabrieken samen met de adviezen van het erkend representatief orgaan (Bisdom Hasselt) gecoördineerd werden binnengebracht door het centraal kerkbestuur op 23 augustus 2019;

 

Overwegende dat, als de gemeentelijke bijdrage in het budget binnen de grenzen blijft van het bedrag opgenomen in het goedgekeurde meerjarenplan (of de goedgekeurde meerjarenplanwijziging), de gemeenteraad akte neemt van het budget binnen een termijn van vijftig (50) dagen die ingaat op de dag na het inkomen van het advies van het erkend representatief orgaan;

 

Gelet op het bijgevoegd gecoördineerd overzicht van de geraamde gemeentelijke exploitatietoelagen en de geraamde gemeentelijke investeringstoelagen aan de verschillende Kerkfabrieken van de gemeente Hoeselt;

 

Overwegende dat de geraamde gemeentelijke exploitatietoelagen aan de verschillende Kerkfabrieken voor het jaar 2020 binnen de grenzen blijven van de bedragen opgenomen in de goedgekeurde meerjarenplannen: het totaal aan geraamde gemeentelijke exploitatietoelagen voor alle Kerkfabrieken bedraagt 81.384,00 EUR;

 

Overwegende dat de geraamde gemeentelijke investeringstoelagen aan de verschillende Kerkfabrieken voor het jaar 2020 binnen de grenzen blijven van de bedragen opgenomen in de goedgekeurde meerjarenplannen: het totaal aan geraamde gemeentelijke investeringstoelagen voor alle Kerkfabrieken bedraagt 0,00 EUR;

 

Besluit,

 

Art. 1 - Akte te nemen van de budgetten 2020 van de Kerkfabrieken Sint-Stefanus (centrum), Sint-Brixius (Schalkhoven), Sint-Hubertus (Sint-Huibrechts-Hern), Maria Middelares (Neder), Sint-Jan-Baptist (Romershoven), Sint-Domitianus (Werm) en Sint-Lambertus (Alt-Hoeselt).

 

Art. 2 - Van dit besluit wordt melding gemaakt bij de toezichthoudende overheid overeenkomstig artikel 330 van het Decreet Lokaal Bestuur. Het besluit wordt overeenkomstig de artikelen 286 (besluit) en 287 van het Decreet Lokaal Bestuur afgekondigd en bekendgemaakt.

 

Art. 3 - Afschriften van deze beslissing zullen worden overgemaakt aan het centraal kerkbestuur, de kerkfabrieken in kwestie, het erkend representatief orgaan en aan de financieel directeur.

Overzicht punten

 

In openbare vergadering

 

04

Financiën (gemeente) - Belasting op de omgevingsvergunningen - Aanpassing van het besluit van 30 november 2017 - Goedkeuring

 

De gemeenteraad,

 

Gelet op artikel 170 § 4 van de Grondwet;

 

Gelet op het Decreet over het Lokaal Bestuur van 22 december 2017, en latere wijzigingen;

 

Gelet op het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;

 

Gelet op de financiële toestand van de gemeente;

 

Overwegende dat het behandelen van meldingen en aanvragen in het kader van het omgevingsvergunningsdecreet een aanzienlijke inzet vergt van de gemeentelijke middelen en het billijk is deze inzet door te rekenen aan degene op wiens initiatief en in wiens voordeel de meldings- en vergunningsprocedures worden doorlopen;

 

Gelet op de wettelijke en decretale bepalingen ter zake;

 

Besluit,

 

Na beraadslaging en met unanimiteit;
 

Art. 1 - Vanaf 1 januari 2020 wordt voor een termijn eindigend op 31 december 2025 een belasting geheven op de meldingen en aanvragen bedoeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

 

Art. 2 - De belasting is verschuldigd door degene die de aanvraag of melding heeft ingediend, en bij gebreke daarvan, de vergunninghouder of exploitant.

 

Art. 3 - De belasting wordt vastgesteld als volgt:

 

Projectvergadering:0,00 EUR/dossier

 

Aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen en/of de exploitatie van een ingedeelde inrichting:

-De vereenvoudigde procedure:50,00 EUR/dossier

-De gewone procedure zonder POVC*:125,00 EUR/dossier

-De gewone procedure met POVC* :150,00 EUR/dossier

 

Aanvraag van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden:

-De vereenvoudigde procedure:100,00 EUR/dossier

-De gewone procedure zonder POVC*:125,00 EUR/dossier

 

Aanvraag tot bijstelling van de verkaveling:

-De vereenvoudigde procedure:100,00 EUR/dossier

-De gewone procedure zonder POVC*:125,00 EUR/dossier

 

Melding van stedenbouwkundige handelingen en/of de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteiten:               50,00 EUR/dossier

 

Melding van de overdracht van een vergunning voor een ingedeelde inrichting of               activiteit:

100,00 EUR/dossier

 

Verzoek bijstelling of afwijking van de milieuvoorwaarden:100,00 EUR/dossier

 

Mededeling met vraag tot omzetting (of hernieuwing) van een milieuvergunning naar een omgevingsvergunning van onbepaalde duur:              125,00 EUR/dossier

 

Schorsing en opheffing van de omgevingsvergunning:0,00 EUR/dossier

 

Verval, afstand en stopzetting van de omgevingsvergunning:0,00 EUR/dossier

 

Stedenbouwkundig attest:50,00 EUR/dossier

 

Planologisch attest:50,00 EUR/dossier

 

Vergunningsaanvraag springstoffen125,00 EUR/dossier

 

* POVC = provinciale omgevingsvergunningscommissie

 

Art. 4 - Wanneer publicatie in een regionaal dag- of weekblad noodzakelijk is, wordt bijkomend aan de dossierkosten vermeld onder artikel 3 een belasting gevraagd van 500,00 EUR per publicatie en dit zelfs binnen dezelfde procedure (een nieuwe publicatie is mogelijk d.m.v. de administratieve lus). De publicatiekosten dienen betaald te worden door de vergunningsaanvrager (conform art. 22 van het Besluit van de omgevingsvergunning).

 

Art. 5 - Voor het digitaliseren van een analoog ingediend dossier:50,00 EUR/dossier.

 

Art. 6 - Bij wijziging van de aanvraag tijdens de procedure of bij administratieve lus, wordt bijkomend aan de dossierkosten vermeld onder de artikelen 3, 4 en 5, een belasting gevraagd van 50,00 EUR.

 

Art. 7 - Zijn van belasting vrijgesteld:

 

Meldingen en aanvragen ingediend door overheden met name, door de eigen gemeente, door het eigen OCMW, door de Kerkfabrieken van de eigen gemeente, door het Provinciebestuur, door de Politiezone, door de Hulpverleningszone en door andere intergemeentelijke samenwerkingsverbanden waar de eigen gemeente deel van uitmaakt.

 

Meldingen i.v.m.:

-lozingen van huishoudelijk afvalwater, ingedeeld als klasse 3-inrichting

-opslagplaatsen van brandbare vloeistoffen of gasvormige brandstoffen bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt, de opslag is tevens ingedeeld als een klasse 3-inrichting.

 

Art. 8 - Aanvragen die onontvankelijk en/of onvolledig worden verklaard zijn vrijgesteld van belasting.

 

Art. 9 - De hoogte van de belasting wordt berekend door de gemeente. De belasting moet betaald worden binnen de 30 dagen na ontvangst van het schrijven waarin de gemeente verzoekt om de belasting te betalen, door middel van een storting op het rekeningnummer vermeld in het schrijven van het gemeentebestuur.

 

Art. 10 - Bij gebreke van betaling wordt de belasting ingekohierd en wordt de belasting een kohierbelasting.

 

Art. 11 - De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen een aanslag, een belastingverhoging of een administratieve geldboete, een bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en schepenen, dat handelt als administratieve overheid.

Het bezwaar moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de contante inning.

Het college van burgemeester en schepenen of een personeelslid dat door het college van burgemeester en schepenen speciaal daarvoor is aangewezen, stuurt binnen de vijftien kalenderdagen na de indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding enerzijds naar de belastingschuldige (en in voorkomend geval zijn vertegenwoordiger) en anderzijds naar de financieel directeur.

 

Art. 12 - Van dit belastingreglement wordt melding gemaakt bij de toezichthoudende overheid overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.

Het belastingreglement wordt overeenkomstig de artikelen 285, 286, 287 en 288 van het Decreet over het Lokaal Bestuur afgekondigd en bekendgemaakt.

Overzicht punten

 

In openbare vergadering

 

05

Financiën (gemeente) - Belasting op de tweede verblijven - Aanpassing van het besluit van 27 november 2014 - Goedkeuring

 

De gemeenteraad,

 

Gelet op artikel 170 van de Grondwet;

 

Gelet op het Decreet over het Lokaal Bestuur van 22 december 2017, en latere wijzigingen;

 

Gelet op het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;

 

Gelet op de tweede verblijven op het grondgebied van de gemeente en de lasten die hiervan het gevolg zijn;

 

Gelet op de financiële toestand van de gemeente;

 

Besluit,

 

Na beraadslaging en met unanimiteit;
 

Art. 1 - Vanaf 1 januari 2020 wordt voor een termijn eindigend op 31 december 2025 een belasting geheven op de tweede verblijven, ongeacht het feit of ze al dan niet in de kadastrale legger ingeschreven zijn.

 

Art. 2 - Onder tweede verblijf moet worden verstaan elke private woongelegenheid waarvan de persoon die er kan wonen, voor deze woongelegenheid niet ingeschreven is in de bevolkingsregisters, ongeacht het feit of het gaat om landhuizen, bungalows, appartementen, grote of kleine weekendhuizen of buitenverblijven, optrekjes, chalets, wooncaravans of alle andere vaste woongelegenheden.

Als tweede verblijf worden niet beschouwd :

-de lokalen die uitsluitend bestemd zijn voor het uitoefenen van beroepsactiviteiten;

-tenten, verplaatsbare caravans en woonaanhangwagens;

 

Art. 3 - Onder wooncaravans moet verstaan worden de caravans die technisch niet gemaakt zijn om voortgetrokken te worden, en waarvan het chassis en het type van wielen het voortslepen niet zouden verdragen.

Met verplaatsbare caravans en woonaanhangwagens worden alle soorten van caravans bedoeld zoals caravans met een enkel stel wielen, de “semi-wooncaravans” met een dubbel stel wielen, de woonwagens en de caravans waarmee de kermisreizigers rondtrekken.

 

Art. 4 - De belasting wordt vastgesteld op 200,00 EUR per jaar en per tweede verblijf.

 

Art. 5 - De belasting is verschuldigd door diegene die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van het tweede verblijf; de hoedanigheid van tweede verblijf wordt op diezelfde datum beoordeeld. In geval van mede-eigendom is de mede-eigenaar de belasting verschuldigd voor zijn wettelijk aandeel.

 

Art. 6 - De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat wordt vastgesteld en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen, ten laatste op 30 juni van het jaar dat volgt op het aanslagjaar. Het kohier wordt tegen ontvangstbewijs overgezonden aan de financieel directeur die onverwijld zorgt voor de verzending van de aanslagbiljetten. Deze verzending gebeurt zonder kosten voor de belastingplichtigen. Het aanslagbiljet bevat naast de gegevens vermeld in het kohier ook de verzendingsdatum, de uiterste betalingsdatum, de termijn waarbinnen bezwaar kan worden ingediend, de benaming, het adres en de contactgegevens van de instantie die bevoegd is om het bezwaarschrift te ontvangen, evenals de vermelding dat de belastingplichtige of zijn vertegenwoordiger die wenst gehoord te worden, zulks uitdrukkelijk moet vragen in het bezwaarschrift. Als bijlage wordt een beknopte samenvatting toegevoegd van onderhavig reglement.

 

Art. 7 - De belastingplichtigen zijn verplicht de belastbare elementen op te geven overeenkomstig een formulier hen toegezonden door het gemeentebestuur. Dit formulier dient voor de erin vermelde dag teruggezonden te worden. Zij die geen aangifteformulier ontvangen hebben of belastingplichtig worden na de inzameling van de aangifteformulieren zijn niettemin verplicht voor 30 juni van het aanslagjaar spontaan de nodige gegevens aan het gemeentebestuur te bezorgen om de aanslag te kunnen berekenen.

 

Art. 8 - Bij gebrek aan aangifte, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, wordt de belasting ambtshalve ingekohierd. Vooraleer wordt overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag, betekent het college van burgemeester en schepenen, aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.

De belastingplichtige beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen te rekenen vanaf de derde werkdag die volgt op de verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen. De ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag kan slechts geldig worden ingekohierd gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari van het aanslagjaar. Deze termijn wordt met twee jaar verlengd bij overtreding van de belastingverordening met het oogmerk te bedriegen of met de bedoeling schade te berokkenen.

De ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met 50 %. Het bedrag van die belastingverhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.

 

Art. 9 - De overtredingen op de aangifteplicht vermeld in artikel 7 van dit reglement worden vastgesteld door de personeelsleden aangesteld door de bevoegde overheid.

De door hen opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.

 

Art. 10 - De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na verzending van het aanslagbiljet. Wanneer de belasting niet betaald is binnen de getelde termijn, worden de regels toegepast betreffende de nalatigheidsintresten inzake de rijksbelastingen op de inkomsten.

 

Art. 11 - De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen een aanslag, een belastingverhoging of een administratieve geldboete, een bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en schepenen, dat handelt als administratieve overheid.

Het bezwaarschrift moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de contante inning.

Het college van burgemeester en schepenen of een personeelslid dat door het college van burgemeester en schepenen speciaal daarvoor is aangewezen, stuurt binnen vijftien kalenderdagen na de indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding enerzijds naar de belastingschuldige (en in voorkomend geval zijn vertegenwoordiger) en anderzijds naar de financieel directeur.

 

Art. 12 - Van dit belastingreglement wordt melding gemaakt bij de toezichthoudende overheid overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.

Het belastingreglement wordt overeenkomstig de artikelen 285, 286, 287 en 288 van het Decreet over het Lokaal Bestuur afgekondigd en bekendgemaakt.

Overzicht punten

 

In openbare vergadering

 

06

Financiën (gemeente) - Belasting op de leegstand van woningen en gebouwen - Aanpassing van het besluit van 31 augustus 2017 - Goedkeuring

 

De gemeenteraad,

 

Gelet op artikel 170 van de Grondwet;

 

Gelet op het Decreet over het Lokaal Bestuur van 22 december 2017, en latere wijzigingen;

 

Gelet op het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;

 

Gelet op het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, met latere wijzigingen;

 

Overwegende de noodzaak tot aanpassing van het bestaande gemeentelijk reglement van 31 augustus 2017 betreffende de opmaak van het leegstandsregister en de belasting op leegstand van woningen en gebouwen, wegens wijzigingen in het Grond- en Pandendecreet;

 

Gelet op het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse wooncode;

 

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2016 houdende subsidiering van intergemeentelijke projecten ter ondersteuning van het lokaal woonbeleid, dat gemeenten oplegt om leegstaande woningen en gebouwen op te nemen in een register conform artikel 2.2.6 van het decreet Grond- en Pandenbeleid;

 

Gelet op het besluit van de gemeenteraad van 25 augustus 2016 waarin deze besliste om samen met de gemeenten Heusden-Zolder, Houthalen-Helchteren en Maasmechelen deel te nemen aan het intergemeentelijke samenwerkingsverband Woonfocus, waarbij de opmaak, opbouw, beheer en actualisering van het leegstandsregister opgenomen werd in het projectplan;

 

Overwegende dat Stebo vzw opgenomen werd als projectuitvoerder binnen dit intergemeentelijk samenwerkingsverband Woonfocus;

 

Overwegende dat de projectperiode van deze intergemeentelijke samenwerking Woonfocus loopt van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019;

 

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 18 november 2018 betreffende het lokaal woonbeleid, dat gemeenten in een intergemeentelijk samenwerkingsverband oplegt om leegstaande gebouwen en woningen op te sporen, te registreren en aan te pakken;

 

Gelet op het besluit van de gemeenteraad van 27 juni 2019 waarin deze besliste om samen met de gemeenten Riemst en Voeren deel te nemen aan het intergemeentelijk samenwerkingsverband rond lokaal woonbeleid IGSW Zuidoost Limburg, waardoor de gemeente het engagement opneemt om leegstaande gebouwen en woningen op te sporen, te registreren en aan te pakken;

 

Overwegende dat Stebo vzw opgenomen werd als projectuitvoerder binnen dit intergemeentelijk samenwerkingsverband Zuidoost-Limburg;

 

Overwegende dat door dit nieuwe samenwerkingsverband IGSW Zuidoost-Limburg de samenwerking met vzw Stebo rond leegstand die gehanteerd werd in IGS Woonfocus naadloos kan verdergezet worden vanaf 2020;

 

Overwegende dat het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode de gemeente aanstelt als coördinator en regisseur van het lokale woonbeleid;

 

Overwegende dat dit bevestigd wordt in het besluit van de Vlaamse regering van 18 november 2018 betreffende het lokaal woonbeleid, waarin de Vlaamse regering de taken van de gemeente inzake lokaal woonbeleid oplijst;

 

Overwegende dat het wenselijk is dat het op het grondgebied van de gemeente beschikbare woningen- en gebouwenbestand ook optimaal benut wordt;

 

Overwegende dat op basis van het Grond- en Pandendecreet gemeenten een register van leegstaande woningen en gebouwen kunnen bijhouden;

 

Overwegende dat de langdurige leegstand van woningen en gebouwen in de gemeente moet bestreden worden;

 

Overwegende dat de strijd tegen de leegstaande woningen en gebouwen onder meer een effect zal hebben als de opname van dergelijke gebouwen en woningen in een leegstandsregister ook daadwerkelijk leidt tot een belasting;

 

Overwegende dat de wijze van registratie en belasting die in dit reglement zijn opgenomen het best aansluiten bij de noden en het beleid van de gemeente;

 

Gelet op de financiële toestand van de gemeente;

 

Besluit,

 

Na beraadslaging en met unanimiteit;
 

Art. 1 - Begripsomschrijvingen.

 

Voor de toepassing van dit reglement gelden onder meer de begripsomschrijvingen van het artikel 1.2 van het Decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, dat in dit reglement ‘het Grond- en Pandendecreet’ wordt genoemd.

 

In dit reglement wordt verstaan onder:

 

1.Administratie:

de gemeentelijke administratieve eenheid die door het gemeentebestuur wordt belast met de opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het leegstandsregister.

De gemeente kan hiervoor beroep doen op medewerkers van het intergemeentelijk samenwerkingsverband;

 

2.Beroepsinstantie:

het college van burgemeester en schepenen;

 

3.Beveiligde zending:

één van de hiernavolgende betekeningswijzen:

a.een aangetekend schrijven;

b.een afgifte tegen ontvangstbewijs;

 

4.Gebouw:

elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, met uitsluiting van bedrijfsruimten, vermeld in artikel 2,1°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;

 

5.Kamer:

een woning zoals vermeld in de Vlaamse Wooncode, artikel 2,10° bis (een woning waarin een toilet, een bad of douche of een kookgelegenheid ontbreken en waarvan de bewoners voor een of meer van die voorzieningen aangewezen zijn op de gemeenschappelijke ruimten in of aansluitend bij het gebouw waarvan de woning deel uitmaakt);

 

6.Woning:

een goed, vermeld in artikel 2, §1, eerste lid, 31°, van de Vlaamse Wooncode (elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande);

 

7.Leegstaand gebouw:

gebouw waarvan meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte niet overeenkomstig de functie van het gebouw wordt aangewend gedurende een periode van ten minste twaalf opeenvolgende maanden. Hierbij wordt geen rekening gehouden met woningen die deel uitmaken van het gebouw.

De functie van het gebouw is deze die overeenkomt met een voor het gebouw of voor gedeelten daarvan afgeleverde omgevingsvergunning of melding in de zin van artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, met latere wijzigingen, of milieuvergunning of melding in de zin van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, met latere wijzigingen. Bij een gebouw waarvoor geen vergunning of melding voorhanden is of waarvan de functie niet duidelijk uit een vergunning of melding blijkt, wordt deze functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van het gebouw voorafgaand aan het vermoeden van leegstand, zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden.

Een gebouw dat in hoofdzaak gediend heeft voor een economische activiteit, vermeld in artikel 2,2°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, wordt niet beschouwd als leegstaand zolang de oorspronkelijke beoefenaar van deze activiteit een gedeelte van het gebouw bewoont en dat gedeelte niet afsplitsbaar is. Een gedeelte is eerst afsplitsbaar indien het na sloping  van de overige gedeelten kan beschouwd worden als een afzonderlijke woning die voldoet aan de bouwfysische vereisten;

 

8.Leegstaande woning:

woning die gedurende een periode van ten minste 12 opeenvolgende maanden niet aangewend wordt in overeenstemming met de woonfunctie; een woning die geregistreerd staat als tweede verblijf - zoals gedefinieerd in het geldende gemeentelijk reglement betreffende de gemeentebelasting op tweede verblijven - wordt niet beschouwd als zijnde leegstaand;

 

9.Leegstand bij nieuwbouw:

een nieuw gebouw of een nieuwe woning wordt als een leegstaand gebouw of een leegstaande woning beschouwd indien dat gebouw of die woning binnen zeven jaar na afgifte van een omgevingsvergunning in laatste administratieve aanleg niet aangewend wordt overeenkomstig zijn functie;

 

10.Leegstandsregister:

het gemeentelijk register van leegstaande gebouwen en woningen, vermeld in art 2.2.6 van het Grond- en Pandendecreet;

 

11.Opnamedatum:

de datum waarop het gebouw of de woning in het leegstandsregister wordt opgenomen;

 

12.Verjaardag:

het ogenblik van het verstrijken van elke nieuwe periode van twaalf maanden vanaf de opnamedatum, zolang het gebouw of de woning niet uit het leegstandsregister is geschrapt;

 

13.Zakelijk gerechtigde:

de houder van één van de volgende zakelijke rechten:

a.de volle eigendom;

b.het recht van opstal of van erfpacht;

c.het vruchtgebruik;

 

14.Renovatienota:

is een gedetailleerde, gedateerde en ondertekende nota die door het college van burgemeester en schepenen wordt goedgekeurd en waarin  minstens volgende elementen zijn opgenomen:

a.een overzicht van de voorgenomen werken;

b.een gedetailleerd tijdschema waaruit blijkt dat binnen een periode van maximaal 24 maanden de woning bewoonbaar wordt gemaakt;

c.offertes en/of facturen met betrekking tot de voorgenomen werken waarin de verschillende onderdelen duidelijk vermeld worden. Deze offertes en/of facturen mogen niet ouder zijn dan 1 jaar;

d.een fotoreportage met weergave van de bestaande toestand van de te renoveren onderdelen;

 

Art. 2 -  Leegstandsregister

 

§1. De administratie houdt een leegstandsregister bij. Het leegstandsregister bestaat uit twee afzonderlijke lijsten:

-een lijst “leegstaande gebouwen”;

-een lijst “leegstaande woningen”.

 

Een woning die geïnventariseerd is als ongeschikt en/of onbewoonbaar, wordt niet opgenomen in het leegstandsregister.

 

§2. In elke lijst worden de volgende gegevens opgenomen:

-het adres van de leegstaande woning of het leegstaande gebouw;

-de kadastrale gegevens van de leegstaande woning of het leegstaande gebouw;

-de identiteit en het (de) adres(sen) van de zakelijke gerechtigde(n);

-het nummer en de datum van de administratieve akte;

-de indicatie of indicaties die aanleiding hebben gegeven tot de opname.

 

Art. 3 - Registratie van leegstand

 

§1. De door het college van burgemeester en schepenen met de opsporing van leegstand belaste personeelsleden bezitten de onderzoeks-, controle- en vaststellingsbevoegdheden, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen. De gemeente kan hiervoor beroep doen op medewerkers van het intergemeentelijk samenwerkingsverband.

 

§2. Een leegstaand gebouw of een leegstaande woning wordt opgenomen in het leegstandsregister aan de hand van een genummerde administratieve akte, waarbij één of meerdere foto’s en een beschrijvend verslag, met vermelding van de indicaties die de leegstand staven, gevoegd worden. De datum van de administratieve akte geldt als de datum van de vaststelling van de leegstand en geldt als opnamedatum.

 

§3. De leegstand wordt beoordeeld op basis van één of meerdere objectieve indicaties zoals vermeld in de volgende niet-limitatieve lijst:

-het ontbreken van een inschrijving in het bevolkingsregister op het adres van de woning;

-het vermoeden van het gebruik van een woonentiteit als domiciliewoning;

-het langdurig aanbieden van het gebouw of van de woning als “te huur” of “te koop”;

-het ontbreken van aansluitingen op nutsvoorzieningen;

-een volle brievenbus gedurende lange tijd;

-een verwaarloosde tuin (lang gras, onverzorgd,…);

-rolluiken die langdurig neergelaten zijn;

-het ontbreken van een aangifte als tweede verblijf;

-de onmogelijkheid om het gebouw of de woning te betreden, bijvoorbeeld door een geblokkeerde toegang;

-een dermate laag verbruik van de nutsvoorziening dat een gebruik als woning of een gebruik overeenkomstig de functie van het gebouw kan worden uitgesloten;

-de vermindering van het kadastraal inkomen overeenkomstig artikel 15 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992;

-aanvraag om vermindering van onroerende voorheffing naar aanleiding van leegstand of improductiviteit;

-getuigenissen: verklaringen van omwonende(n), postbode, wijkagent;

-andere relevante indicaties van leegstand.

 

Art. 4 - Kennisgeving van registratie

 

De zakelijk gerechtigde(n) wordt per beveiligde zending in kennis gesteld van de beslissing tot opname in het leegstandsregister. De kennisgeving bevat:

-de administratieve akte met inbegrip van het beschrijvend verslag;

-informatie over de gevolgen van de opname in het leegstandsregister;

-informatie met betrekking tot de beroepsprocedure tegen de opname in het leegstandsregister;

-informatie over de mogelijkheid tot schrapping uit het leegstandsregister;

 

In geval van overdracht van het zakelijk recht moet de overdrager van het zakelijk recht de verkrijger ervan uiterlijk op het ogenblik van de overdracht via aangetekend schrijven en/of tegen ontvangstbewijs in kennis stellen van de opname van het gebouw of de woning in de inventaris.

Bij ontstentenis van deze kennisgeving wordt de overdrager van een zakelijk recht als belastingplichtige beschouwd voor de eerstvolgende belasting die na de overdracht van het zakelijk recht wordt gevestigd.

 

Degene die het zakelijk recht overdraagt is tevens verplicht om binnen de maand na het verlijden van de notariële akte, per aangetekend schrijven aan de administratie een kopie van de notariële akte over te maken. Deze bevat minstens de volgende gegevens:

-naam en adres van de verkrijger van het zakelijk recht en zijn eigendomsaandeel;

-datum van de akte, naam en standplaats van de notaris;

-nauwkeurige aanduiding van de overgedragen woning of het gebouw;

Bij ontstentenis van deze kennisgeving wordt de overdrager van een zakelijk recht als belastingplichtige beschouwd voor de eerstvolgende belasting die na de overdracht van het zakelijk recht wordt gevestigd.

 

Art. 5 - Beroep tegen registratie

 

§1. Binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de betekening van het schrijven, vermeld in artikel 4, kan een zakelijk gerechtigde bij de beroepsinstantie beroep aantekenen tegen de beslissing tot opname in het leegstandsregister. Het beroep wordt per beveiligde zending betekend. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en moet minimaal volgende gegevens bevatten:

-de identiteit en het adres van de indiener;

-de vermelding van het nummer van de administratieve akte en het adres van het gebouw of de woning waarop het beroepschrift betrekking heeft;

-de bewijsstukken die aantonen dat de opname van het gebouw of de woning in het leegstandsregister ten onrechte is gebeurd. De vaststelling van de leegstand kan betwist worden met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, uitgezonderd de eed;

Als datum van het beroepschrift wordt de datum van de beveiligde zending gehanteerd.

 

Als het beroepschrift ingediend wordt door een persoon die optreedt namens de zakelijk gerechtigde, voegt hij bij het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging, tenzij hij optreedt als raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of als advocaat-stagiair.

 

§2. Zolang de indieningstermijn van dertig dagen niet verstreken is, kan een vervangend beroepschrift ingediend worden, waarbij het eerdere beroepschrift als ingetrokken wordt beschouwd.

 

§3. Elk inkomend beroepschrift wordt in het leegstandsregister geregistreerd en aan de indiener wordt een ontvangstbevestiging verstuurd.

 

§4. Het beroepschrift is alleen onontvankelijk:

-als het te laat is ingediend of niet is ingediend overeenkomstig de bepalingen in paragraaf 1, of;

-als het beroepschrift niet uitgaat van een zakelijk gerechtigde, of;

-als  het beroepschrift niet is ondertekend.

 

§5. Als het beroepschrift onontvankelijk is, deelt de beroepsinstantie dit onverwijld mee aan de indiener.

Het indienen van een aangepast of nieuw beroep is mogelijk zolang de beroepstermijn van §1 niet verstreken is.

 

§6. De beroepsinstantie onderzoekt de gegrondheid van de ontvankelijke beroepschriften op stukken als de feiten vatbaar zijn voor directe, eenvoudige vaststelling of met een feitenonderzoek, dat uitgevoerd wordt door het met de opsporing van leegstaande gebouwen en woningen belaste personeelslid. Het beroep wordt geacht ongegrond te zijn als de toegang tot een gebouw of een woning geweigerd of verhinderd wordt voor het feitenonderzoek.

 

§7. De beroepsinstantie doet uitspraak over het beroep binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na deze van de betekening van het beroepschrift. De uitspraak wordt per beveiligde zending betekend aan de indiener ervan.

 

§8. Als de beslissing tot opname in het leegstandsregister niet tijdig betwist wordt, of het beroep van de zakelijk gerechtigde onontvankelijk of ongegrond verklaard wordt, neemt de administratie het gebouw of de woning in het leegstandsregister op vanaf de datum van de vaststelling van de leegstand.

 

Art. 6 - Schrapping uit het leegstandsregister

 

§1. Een woning wordt uit het leegstandsregister geschrapt als een zakelijk gerechtigde bewijst dat de woning gedurende een termijn van ten minste zes opeenvolgende maanden aangewend wordt overeenkomstig de functie, zoals omschreven in art 1, 8°.

De datum van schrapping is de eerste dag van de aanwending overeenkomstig de functie. Het effectief gebruik zal blijken uit de inschrijvingen in de bevolkingsregisters of desgevallend na een onderzoek ter plaatse.

 

Een gebouw wordt uit het leegstandsregister geschrapt als een zakelijk gerechtigde bewijst dat meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte overeenkomstig de functie, vermeld in artikel 1, 7°, aangewend wordt gedurende een termijn van ten minste zes opeenvolgende maanden.

De datum van schrapping is de eerste dag van de aanwending overeenkomstig de functie. De administratie stelt deze aanwending vast via administratieve data of desgevallend na een onderzoek ter plaatse.

 

§2. Voor de schrapping uit het leegstandsregister richt de zakelijk gerechtigde een gemotiveerd verzoek aan de administratie via beveiligde zending. Dit verzoek bevat:

-de identiteit en het adres van de indiener;

-de vermelding van het nummer van de administratieve akte en het adres van het gebouw of de woning waarop de vraag tot schrapping betrekking heeft;

-de bewijsstukken overeenkomstig paragraaf 1 die aantonen dat de woning of het gebouw geschrapt mag worden uit het leegstandsregister;

Als datum van het verzoek wordt de datum van de beveiligde zending gehanteerd.

 

De administratie onderzoekt of er redenen zijn tot schrapping uit het leegstandsregister en neemt een beslissing binnen een termijn van 90 dagen na de ontvangst van het verzoek. De administratie brengt de verzoeker op de hoogte van haar beslissing met een beveiligde zending.

 

Tegen de beslissing over het verzoek tot schrapping kan de zakelijk gerechtigde beroep aantekenen volgens de procedure, vermeld in artikel 5.

 

Art. 7 - Belasting op leegstaande woningen en gebouwen

 

§1 Er wordt voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025 een gemeentebelasting gevestigd op de woningen en gebouwen die gedurende minstens twaalf opeenvolgende maanden zijn opgenomen in het leegstandsregister.

De definities van woningen, gebouwen, leegstaande woning, leegstaand gebouw en leegstandsregister zijn omschreven in artikel 1.

 

§2 De belasting voor een leegstaande woning of een leegstaand gebouw is voor het eerst verschuldigd vanaf het ogenblik dat die woning of dat gebouw gedurende twaalf opeenvolgende maanden is opgenomen in het leegstandsregister, d.w.z. 12 maanden na datum van de administratieve akte.

 

Zolang het gebouw of de woning niet uit het leegstandsregister is geschrapt, blijft de belasting verschuldigd op het ogenblik dat een nieuwe termijn van twaalf maanden verstrijkt.

 

Art. 8 - Belastingplichtige

 

§1. De belasting is verschuldigd door de zakelijk gerechtigde over het leegstaande gebouw of de leegstaande woning op de verjaardag van de opnamedatum.

Ingeval er een recht van opstal, erfpacht of vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door de houder van dat zakelijk recht van opstal, van erfpacht of van vruchtgebruik op het ogenblik dat de belasting van het aanslagjaar verschuldigd wordt.

 

§2. Ingeval van mede-eigendom zijn de mede-eigenaars hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld. Ingeval er meerdere andere houders zijn van het zakelijk recht, zijn deze eveneens hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.

 

Art. 9 - Tarief van de belasting

 

De belasting bedraagt:

Op de eerste verjaardag van de opname in het leegstandsregister of op de eerste verjaardag na het aflopen van een vrijstellingstermijn, zoals omschreven in artikel 10:

1.200 EUR per leegstaand gebouw of woning

100 EUR per leegstaande kamer

 

Op de tweede verjaardag en elke volgende verjaardag van de opname in het leegstandsregister:

2.400 EUR per leegstaand gebouw of woning

200 EUR per leegstaande kamer

 

De belasting is ondeelbaar verschuldigd per opnamejaar.

 

Indien er een vrijstelling toegekend werd zoals omschreven in artikel 10, is de eerste heffing na de afloop van de toegekende vrijstellingstermijn dezelfde als die verschuldigd is op de eerste verjaardag na de opname in het leegstandsregister.

 

Art. 10 - Vrijstellingen

 

§1. Een vrijstelling van de belasting kan aangevraagd worden via beveiligde zending bij de administratie. De houder van het zakelijk recht die gebruik wenst te maken van een vrijstelling als vermeld in §3 of §4, dient zelf hiervoor de nodige bewijsstukken voor te leggen aan de administratie.

 

§2. Een beroep tegen de beslissing over een aanvraag tot vrijstelling kan ingediend worden bij de beroepsinstantie overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 13.

 

§3. Van de leegstandsbelasting zijn vrijgesteld:

 

1.De heffingsplichtige die mede-eigenaar of volle eigenaar is van de woning of het gebouw en die in een erkende ouderenvoorziening verblijft, of in een zorgwoning, of voor een langdurig verblijf werd opgenomen in een psychiatrische instelling, of elders inwoont in het kader van een zorgsituatie. Deze vrijstelling loopt totdat deze situatie zich opheft. Een attest van verblijf in de ouderenvoorziening of instelling of een melding van zorgwoning of een attest van de huisdokter moet jaarlijks worden voorgelegd.

 

2.De heffingsplichtige die mede-eigenaar of volle eigenaar is van de woning of het gebouw waarvan de handelingsbekwaamheid beperkt werd ingevolge een gerechtelijke beslissing. Deze vrijstelling geldt tot zolang de situatie zich aanhoudt. Een afschrift van de gerechtelijke beslissing moet worden voorgelegd.

 

3.De heffingsplichtige die sinds minder dan één jaar zakelijk gerechtigde is van het gebouw of de woning, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt voor de eerstvolgende heffing volgend op het verkrijgen van het zakelijk recht. De heffingsplichtige levert hiervoor de nodige bewijzen.

Deze vrijstelling geldt niet voor overdrachten aan vennootschappen waarin de vroegere houder van het zakelijk recht participeert, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor meer dan 10 % van het aandeelhouderschap.

 

4.Indien de heffingsplichtige meerdere woningen en/of gebouwen bezit die hij of zij tegelijk wil slopen, verbouwen of renoveren om economische efficiëntieredenen, voor zover er een planning kan voorgelegd worden en er jaarlijks over wordt gerapporteerd op het gemeentelijk woonoverleg.

Deze vrijstelling wordt toegekend voor 1 jaar en kan maximum 2 maal verlengd worden.

 

Vrijstellingen vermeld in deze paragraaf zijn persoonsgebonden. Ze worden toegekend overeenkomstig het aandeel van de woning of het gebouw waarvan deze persoon zakelijk gerechtigde is. De overige zakelijk gerechtigden blijven heffingsplichtig voor het resterende deel van de heffing. De heffing zal hoofdelijk gebeuren en het vrijgestelde deel zal daarvan worden afgetrokken.

 

§4. Een vrijstelling wordt verleend als:

 

1.Het gebouw of de woning gerenoveerd wordt. Er kunnen twee gevallen van renovatie onderscheiden worden:

-wanneer het gaat over handelingen die een omgevingsvergunning vragen: er moet een niet vervallen omgevingsvergunning worden voorgelegd, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt gedurende een termijn van drie jaar volgend op het uitvoerbaar worden van deze omgevingsvergunning én dat deze vrijstelling maar één keer aan dezelfde houder van het zakelijk recht kan worden toegekend;

-wanneer het gaat over handelingen die geen omgevingsvergunning vragen: er moet een renovatienota worden voorgelegd met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt gedurende een termijn van één jaar volgend op de goedkeuring van de renovatienota door het college van burgemeester en schepenen. Deze vrijstelling kan maximaal 2 maal verlengd worden met één jaar mits voorlegging van een nieuwe renovatienota.

Slechts 1 van bovenstaande vrijstellingen kan worden toegekend binnen een periode van 10 jaar.

 

2.Het gebouw of de woning gelegen is binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan. De periode van vrijstelling duurt tot twee jaar nadat het onteigeningsplan eventueel ongedaan gemaakt wordt of de onteigening effectief wordt;

 

3.Het gebouw of de woning deel uitmaakt van een RUP in opmaak of van een goedgekeurd RUP waarin de bestemming van het gebied gewijzigd wordt;

 

4.Het gebouw of de woning beschermd is als monument; stads- of dorpsgezicht krachtens het decreet van 3 maart 1976. De vrijstelling geldt voor een periode van 3 jaar;

 

5.Het gebouw of de woning vernield of beschadigd werd ten gevolge van een plotse ramp, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt gedurende een periode van drie jaar volgend op de datum van de vernieling of beschadiging;

 

6.Het gebouw of de woning onmogelijk effectief gebruikt kan worden omwille van een verzegeling in het kader van een strafrechtelijk onderzoek of omwille van een expertise in het kader van een gerechtelijke procedure of omwille van een andere soortgelijke procedure, bijvoorbeeld bij een afhandeling van een verzekeringsonderzoek of geschil.

De vrijstelling gaat in:

-vanaf het begin van de onmogelijkheid tot effectief gebruik tot twee jaar na het einde van de onmogelijkheid indien de zaak start na registratie in het leegstandsregister;

-twee jaar vanaf de registratiedatum indien de procedure gestart is voor de registratie.

De nodige bewijsstukken van de gerechtelijke procedure moeten hierbij voorgelegd worden en de belastingplichtige moet spontaan de administratie op de hoogte houden over het verloop van de procedure. Gerechtelijke procedures in het kader van huurgeschillen of geschillen waarvoor de bevoegde rechtbank geen verzegeling van de woning en/of het gebouw heeft uitgesproken, geven geen aanleiding tot het verlenen van een vrijstelling van de belasting;

 

7.Het gebouw of de woning het voorwerp uitmaakt van een overeenkomst met het oog op renovatie-, verbeterings- of aanpassingswerkzaamheden in de zin van artikel 18, § 2, van de Vlaamse Wooncode;

 

8.Het gebouw of de woning het voorwerp uitmaakt van een door de gemeente, het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of een sociale woonorganisatie verkregen sociaal beheersrecht, overeenkomstig artikel 90 van de Vlaamse Wooncode.

 

9.Het gebouw of de woning te koop of te huur staat en de volgende voorwaarde vervuld is:

het gebouw of de woning wordt tegen aanvaardbare marktvoorwaarden aangeboden (moet aangetoond worden aan de hand van een schattingsverslag door een expert).

Deze vrijstelling geldt voor een periode van maximaal 1 jaar en kan slechts één keer toegekend worden aan dezelfde eigenaar van het zakelijk recht binnen een periode van 10 jaar.

 

10.De woning verbonden is met een bedrijfsruimte, en voldoet aan één van de volgende voorwaarden:

-de woning heeft geen eigen ingang vanaf de openbare weg;

-de houder(s) van het zakelijk recht hebben voldoende aantoonbare inspanningen ondernomen ter bevordering van verhuur/verkoop van het pand. De beoordeling kan bijvoorbeeld geschieden op basis van schriftelijke bewijzen, contracten met immobiliënkantoren, …

Deze vrijstelling van maximum 3 jaar gaat in vanaf de inventarisatiedatum.

 

11.Het een woning betreft die in gebruik is voor een aan wonen aanverwante functie, zoals de uitoefening van een vrij beroep of een dienstverlenende activiteit of kantoorfunctie.

Deze vrijstelling wordt enkel toegekend als voldaan is aan de volgende twee voorwaarden:

-er werden of worden geen structurele wijzigingen aan de woning uitgevoerd, zodat de woning meteen terug gebruikt kan worden voor haar eigenlijke functie namelijk wonen;

-de woning wordt effectief gebruikt voor het uitoefenen van een vrij beroep of een beroep in de dienstverlenende sector of voor een kantoorfunctie. Het louter hebben van een inschrijving in de Kruispuntbank Ondernemingen geeft geen recht op deze vrijstelling. De eigenaar legt de nodige bewijzen voor die dit effectief gebruik kunnen staven. Deze voorwaarden kunnen ter plaatse worden gecontroleerd.

Deze vrijstelling geldt voor een periode van 1 jaar;

 

12.Wanneer de leegstand het gevolg is van overmacht, d.w.z. te wijten is aan redenen buiten de wil van de zakelijk gerechtigde van wie redelijkerwijze niet kan verwacht worden dat hij een einde stelt aan de leegstand.

 

Art. 11 - Inkohiering

 

De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat wordt vastgesteld en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen, ten laatste op 30 juni van het jaar dat volgt op het aanslagjaar. Het kohier wordt tegen ontvangstbewijs overgezonden aan de financieel directeur die onverwijld zorgt voor de verzending van de aanslagbiljetten. Deze verzending gebeurt zonder kosten voor de belastingplichtigen. Het aanslagbiljet bevat naast de gegevens vermeld in het kohier ook de verzendingsdatum, de uiterste betalingsdatum, de termijn waarbinnen bezwaar kan worden ingediend, de benaming, het adres en de contactgegevens van de instantie die bevoegd is om het bezwaarschrift te ontvangen, evenals de vermelding dat de belastingplichtige of zijn vertegenwoordiger die wenst gehoord te worden, zulks uitdrukkelijk moet vragen in het bezwaarschrift. Als bijlage wordt een beknopte samenvatting toegevoegd van onderhavig reglement.

 

Art. 12 - Betalingstermijn

 

De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na verzending van het aanslagbiljet. Wanneer de belasting niet betaald is binnen de gestelde termijn, worden de regels toegepast betreffende de nalatigheidsintresten inzake de rijksbelastingen op de inkomsten.

 

Art. 13 - Bezwaar

 

De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen een aanslag, een belastingverhoging of een administratieve geldboete, een bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en schepenen, dat handelt als administratieve overheid.

Het bezwaarschrift moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de contante inning. Het college van burgemeester en schepenen of een personeelslid dat door het college van burgemeester en schepenen speciaal daarvoor is aangewezen, stuurt binnen vijftien kalenderdagen na de indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding enerzijds naar de belastingschuldige (en in voorkomend geval zijn vertegenwoordiger) en anderzijds naar de financieel directeur.

 

Art. 14 -  Het reglement betreffende de opmaak van het leegstandsregister en de belasting op leegstand van woningen en gebouwen van 31 augustus 2017 wordt opgeheven op 31 december 2019. Woningen, gebouwen en kamers die reeds werden opgenomen in het leegstandsregister, blijven opgenomen in het register met hun oorspronkelijke opnamedatum. Vrijstellingen die reeds eerder werden toegekend volgens de bepalingen van vorige reglementen, blijven behouden met dezelfde duur en/of einddatum. Na afloop van deze vrijstelling gelden de bepalingen van het huidige reglement.

 

Art. 15 - Kennisgeving toezicht

 

Van dit belastingreglement wordt melding gemaakt bij de toezichthoudende overheid overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.

Het belastingreglement wordt overeenkomstig de artikelen 285, 286, 287 en 288 van het Decreet over het Lokaal Bestuur afgekondigd en bekendgemaakt.

Overzicht punten

 

In openbare vergadering

 

07

Financiën (gemeente) - Retributie op de aanvragen van stedenbouwkundige inlichtingen - Aanpassing van het besluit van 28 februari 2013 - Goedkeuring

 

De gemeenteraad,

 

Gelet op artikel 173 van de Grondwet;

 

Gelet op het Decreet over het Lokaal Bestuur van 22 december 2017, en latere wijzigingen;

 

Gelet op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;

 

Gelet op de financiële toestand van de gemeente;

 

Besluit,

 

Na beraadslaging en met unanimiteit;
 

Art. 1 - Vanaf 1 januari 2020 wordt voor een termijn eindigend op 31 december 2025 een retributie geheven op de aanvragen van stedenbouwkundige inlichtingen.

 

Art. 2 - De retributie wordt vastgesteld als volgt:

 

Op de aanvraag van een uittreksel uit het plannenregister: 20,00 EUR per kadastraal perceel.

Het plannenregister bevat alle informatie over bestaande ruimtelijke plannen op alle niveau’s.

Een uittreksel uit het plannenregister geeft een overzicht van alle plannen die van toepassing zijn voor een bepaald perceel.

 

Op de aanvraag van een uittreksel uit het vergunningenregister: 20,00 EUR per kadastraal perceel.

Het vergunningenregister is een databank.

Een uittreksel hieruit geeft een overzicht van alle afgeleverde en/of geweigerde vergunningen voor een bepaald perceel.

 

Op de aanvraag van een stedenbouwkundig uittreksel: 40,00 EUR per kadastraal perceel.

Het stedenbouwkundig uittreksel is de combinatie van een uittreksel uit het plannenregister en een uittreksel uit het vergunningenregister.

 

Op de aanvraag om vastgoedinformatie: 50,00 EUR per kadastraal perceel.

Vastgoedinformatie is de combinatie van het inlichtingenformulier vastgoedinformatie en een stedenbouwkundig uittreksel.

 

Art. 3 - De retributie is verschuldigd door de aanvrager bij de aanvraag van de stedenbouwkundige inlichtingen.

 

Art. 4 - De betaling van de in te vorderen retributie dient contant te gebeuren of eventueel via overschrijving.  Bij voorkeur op het ogenblik van de aanvraag en alleszins vooraleer het document (de documenten) wordt (worden) afgeleverd.

 

Art. 5 - Van dit retributiereglement wordt melding gemaakt bij de toezichthoudende overheid overeenkomstig artikel 330 van het Decreet over het Lokaal Bestuur.

Het retributiereglement wordt overeenkomstig de artikelen 285, 286, 287 en 288 van het Decreet over het Lokaal Bestuur afgekondigd en bekendgemaakt.

Overzicht punten

 

In openbare vergadering

 

08

Financiën (gemeente) - Budget 2019: vaststelling budgetwijziging nr. 1 - Goedkeuring

 

De gemeenteraad,

 

Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen, meer bepaald artikel 41 betreffende de expliciete bevoegdheden van de gemeenteraad;

 

Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen, meer bepaald de artikelen 326 tot en met 334 betreffende het bestuurlijk toezicht;

 

Gelet op het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 en latere wijzigingen, meer bepaald artikel 154 betreffende de budgetwijzigingen;

 

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2010 betreffende de beleids- en beheerscyclus van de gemeenten, de OCMW’s en de provincies, in het bijzonder titel 2, hoofdstuk 3;

 

Gelet op het Ministerieel Besluit van 1 oktober 2010 tot vaststelling van de modellen en de nadere voorschriften van de beleidsrapporten en de toelichting ervan, en van de rekeningstelsels van de gemeenten, de provincies en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en latere wijzigingen;

 

Overwegende dat de Gemeenteraad het budget 2019 in zitting van 20 december 2018 heeft goedgekeurd;

 

Overwegende dat er betreffende het lopende budget 2019 een budgetwijziging nodig is;

 

Overwegende dat budgetwijziging nr. 1 voor het boekjaar 2019 bestaat uit de volgende documenten die voorwerp uitmaken van een beslissing van de raad: een verklarende nota en een financiële nota;

 

Overwegende dat het voorontwerp van deze budgetwijziging nr. 1 (BW 01 2019) werd besproken in het Managementteam op 9 september 2019;

 

Besluit,

 

Na beraadslaging en met unanimiteit;
 

Art. 1 - De gemeenteraad stelt de budgetwijziging genaamd BW 01 2019 vast met de volgende saldi:

budgettair resultaat boekjaar- 5.876.618 EUR

gecumuleerd budgettair resultaat vorig boekjaar8.386.980 EUR

gecumuleerd budgettair resultaat2.510.362 EUR

bestemde gelden291.370 EUR

resultaat op kasbasis2.218.992 EUR

autofinancieringsmarge62.741 EUR

 

Art. 2 - Van dit besluit wordt melding gemaakt bij de toezichthoudende overheid overeenkomstig artikel 330 van het Decreet Lokaal Bestuur. Het besluit wordt overeenkomstig de artikelen 286 (besluit) en 287 van het Decreet Lokaal Bestuur afgekondigd en bekendgemaakt.

Overzicht punten

 

In openbare vergadering

 

09

Omgeving - Definitieve vaststelling van de afschaffing van een deel van buurtwegen 28, 77 en 112 gelegen binnen het RUP Sportpark - Goedkeuring

 

De gemeenteraad,

 

Gelet op de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen;

 

Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, inzonderheid de artikelen 40 en 41 betreffende de bevoegdheden van de gemeenteraad;

 

Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, inzonderheid de artikelen 326 tot en met 334 betreffende het bestuurlijk toezicht;

 

Gelet op de omzendbrief KB/ABB 2018/3 van 26 oktober 2018 betreffende de start van de lokale en provinciale bestuursperiode;

 

Gelet op de omzendbrief KB/ABB 2018/4 van 26 oktober 2018 betreffende het bestuurlijk toezicht en de bekendmakingsplicht;

 

Gelet op het Bestuursdecreet van 7 december 2018;

 

Gelet op de